Rijst met spinazie en paniek

Ik sta in de keuken en maak iets met rijst. Geurige witte basmati rijst. Mijn kinderen houden van rijst. Bij momenten vind ik rijst ook erg lekker en vandaag is zo’n dag. Ik maak er een smaakvol vegetarisch prutje bij van spinazie, knoflook, ui, cashewnoten, room en kruidenkaas. We zullen zien of het kroost dat gaat waarderen.
Ik voer alle handelingen uit met dichtgeknepen keel. Ik slik misselijkheid weg, en weg en weg, dwing mijzelf tot diep meditatief ademhalen. Ik spreek mijzelf toe met bemoedigende woorden als je doet het goed, gewoon ademhalen en je kunt dit, dit is niet van jou, maar toch van jou, jij hebt te leren, jij hebt los te maken.

Net als elke andere moeder heb ik elke dag te maken met het feit dat kinderen opvoeden, kinderen loslaten is. Je ontvangt ze in je armen, je verzorgt ze, je faciliteert dat ze hun eigen persoon kunnen zijn. Je leert ze alles wat ze nodig hebben om op eigen benen te staan. Dat is wat ouders doen, dat is het leven. Ik zou niet anders willen, want ik wens mijn kinderen toe dat ze hun eigen levens leiden. Nu en later, als ze volwassen zijn.

Ik ben echter niet elke andere moeder. Niemand is dat natuurlijk, maar laten we zeggen dat mijn twijfel over mijn moederschapskwaliteiten ietwat groter is dan gemiddeld. Iets met een nogal lange heftige postnatale depressie, waardoor ik negatieve dingen lang als buitenproportioneel groot heb gezien en ervaren. Maar eigenlijk is dat nu bijzaak – al helpt het wellicht niet.

Nee, in dit geval speelt mijn eigen jeugd mij parten. Mijn kindertijd waar geborgenheid en veiligheid beperkt aanwezig waren, een jeugd waarin ik heb geleerd altijd op mijn hoede te zijn voor, ja waarvoor eigenlijk? Onheil. Agressie. Pijn. Verdriet.
En heel concreet: mannen die je kwaad wilden doen, en specifiek één man waarbij ik uit de buurt moest blijven vanwege gevaar voor mijn leven. Een jarenlange potentiële dreiging van ‘mogelijk meegenomen worden en wat aangedaan’. De details laat ik hier achterwege, die doen er hier niet toe, zelfs de waarheid van deze dreiging doet er niet toe. Ook het feit of de angst van mijn moeder klopte of niet, en zelfs vragen omtrent mijn moeders verantwoordelijkheid in het voeden van die angst of in het belasten van mij ermee, zijn niet relevant. Moeders – en vaders – handelen altijd vanuit hun beste vermogen op elk gegeven moment. En geloof me, ik weet – en wist als kind – dat de dreiging niet uit de lucht was gegrepen.
Bovendien heb ik als jong meisje daarnaast enkele vervelende ervaringen opgedaan met vieze enge onbekende mannen die zich opdrongen, gewoon in een winkel, mijn broer is zelfs ooit op het nippertje uit handen van een gluiperd ontsnapt, ook gewoon in een openbaar toilet in een warenhuis.

Het punt is, ik heb nu als moeder te dealen met mijn diepe ingesleten angstpatroon voor mensen (mannen) die mijn kinderen iets aan willen doen. Ik zie overal potentiële kinderlokkers en ontvoerders. En dan bedoel ik overal en altijd. Ik wantrouw iedereen, zelfs als ik ze wel vertrouw. Zelfs als ik ze heel goed ken. Je weet namelijk maar nooit, zegt mijn angst.
Ik wil niet zo zijn, en ik wil al helemaal niet mijn kinderen belemmeren in hun ontwikkeling tot zelfstandige, onafhankelijke volwassenen. Ik wil juist dat ze vertrouwen hebben in zichzelf en in de wereld. Natuurlijk met een goede dosis gezond verstand en inschattingsvermogen over mogelijke gevaren. Daarnaast vind ik het als moeder heerlijk als ze zelf dingen doen, dat ik niet overal meer bij hoef te zijn of hoef te helpen.
Alles zelf ontdekken met vallen en opstaan, prima! Zelf fietsen, bij vriendjes spelen na school ook goed, maar daar begint het toch al te prikken bij me. Waar zijn ze? Met wie, et cetera? Maar goed, ik vertrouw. Ik laat los.

Zo ook nu. Ik kook en zij spelen buiten, mijn dochter van 5,5 en mijn zoon van 4. Op de stoep voor de deur. Met het buurmeisje van 5. En ze mogen nu oversteken en samen naar het speeltuintje op de hoek. Ze moeten bij elkaar blijven van mij. Mijn zoon mag alleen samen met mijn dochter oversteken, zij mag hem niet alleen laten. Ze doen het goed, ze letten op, ze zijn samen. En ik krijg geen adem, ook als ik dit nu schrijf.
Ik kook rijst en voel pure paniek. De tranen rollen over mijn wangen als ik de spinazie roerbak. Ik zei ze me niet te storen voor elk wissewasje, en nu zijn ze al 20 minuten buiten aan het spelen zonder dat ik ze heb gehoord of gezien. Ze kunnen al 15 km verderop verdoofd in een kofferbak van een auto liggen en voorgoed verloren zijn.

Ik ga kapot van de pijn in mijn door angst gebroken hart, maar ik zeg puffend sussende woorden tegen mijzelf: dit is niet van mij, dit is toch van mij. Ik moet hier doorheen. Ik wil me losmaken van mijn innerlijke bange verdrietige kind. Ik ben veilig. Zij zijn veilig.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *